Augustinus' tweede bekering
Bart Jan Spruyt
10 juni 2026 in het Calvijncollege
Jan Bakker opende de avond met een testamentaire brief, die Paul Gerhardt schreef aan zijn enige zoon. De andere vier waren gestorven en ook zijn vrouw was hem ontvallen. Gerhardt liederen zijn toch ondanks dit verlies vol blijdschap, vond Bakker. Gerhardt dichtte ook Beveel gerust uw wegen, waarlangs uw voet kan gaan.
Gerhardt was een Lutheraan en Luther was door Augustinus gevormd in zijn zoektocht naar de vraag hoe hij een genadig God kreeg. Gerhardt die in de 17de eeuw leefde, inspireerde ook Bach die ook een Lutheraan was, merkte Bakker op. In de testamentaire brief spoorde Gerhardt zijn zoon aan om ijverig te zijn in zijn studie in de theologie. Gerhardt gaf zijn zoon ook allerlei praktische tips mee maar vooral ook gaf hij het besef mee dat waar je ook bent of wat je ook doet dat God altijd erbij is. Hij helpt in zwakheden als we Hem aanroepen maar Hij ziet ook onze zonde die we wel voor de mensen kunnen verbergen maar nooit voor Hem. Ons leven is een leven voor Gods aangezicht (coram Deo, volgens Luther en Gerhardt beaamt dat. Daarom kunnen we alleen leven van en door Zijn genade.
Daarna hield Spruyt zijn lezing. Augustinus' tweede bekering ging geleidelijk. Eigenlijk net als zijn eerste bekering. Zijn moeder had veel voor hem gebeden maar zijn vader was een heiden, dat had ook invloed op het leven van Augustinus. Maar het gebed van zijn moeder kreeg uiteindelijk tóch uitwerking in zijn leven. De hoogbegaafde Augustinus vond weliswaar aanvankelijk het christelijke geloof maar niets. Hij ging studeren en werd Rhetor, leraar in de welsprekendheid, in Milaan. Echter door het lezen van het werk van Cicero Hortensius (Cicero schreef ook een boek over welsprekendheid: Ars retorica) kwam hij op een ander spoor. Hortensius betekent vanuit het Latijn: Aansporing. In dit werk spoorde Cicero zijn lezers aan om het niet te verwachten van het aardse genot en leven, wat Augustinus aanvankelijk wel deed, maar op zoek te gaan naar (diepere levens)wijsheid.
Dat ging Augustinus doen. Hij vroeg zich vooral af waar het kwaad vandaan komt (Latijn: Unde malum, vanwaar <komt> het kwaad?) Hij kwam na zoektochten terecht bij de Manicheeën. Die losten het probleem van het kwaad op door te stellen dat er twee goden zijn: een goede en een verkeerde. Toch vond hij daar niet wat hij zocht. Daarna kwam hij terecht bij de neoplatonisten. Die zeiden dat het kwaad de afwezigheid van het goede is. Dat leek wat te helpen maar door de preken van Ambrosius, die bisschop was in Milaan, kwam hij meer op het spoor van de Bijbel. Hij kwam tot de volledige geloofsovergave toen hij kinderen hoorden spelen die zeiden: neem en lees (tolle et lege). Hij sloeg de Bijbel open en zijn oog viel op Romeinen 13, 13: "Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst". Nu werd zijn wil geheel over gebogen tot God. Daar vóór hinkte hij nog op twee gedachte.
Je zou verwachten dat hij nu zou gaan schrijven over zijn nieuwe ontdekking en zijn nieuwe kijk op de Bijbel. Dat deed Augustinus niet. Hij ging nu nadenken over het goede leven, een thema bij de filosofen. Die vraag trachtte hij vanuit Gods woord te beantwoorden. Om een tegenwicht te bieden tegen de Manicheeën, die zeiden dat de mens een speelbal is van twee goden, benadrukte Augustinus de vrije wil van de mens. Je hebt een vrije keuze om God te dienen en je af te keren van het kwaad.
Dat de mens door en door zondig is, werd zijn tweede bekering. Zijn ogen gingen open bij het lezen van de brief aan de Romeinen en met name Romeinen 7, de geestelijke strijd. Aanvankelijk dacht hij dat het in Romeinen 7,14 ging over de niet-wedergeboren christen Maar nu ging hij inzien dat ook de gelovige vleselijk is. Spruyt stelde wel dat Kohlbrugge radicaler was. Een gelovige is en blijft volgens Kohlbrugge vleselijk, dat is: geheel verkocht onder de zonde ('onder' betekent dat de zonde hem of haar de baas is). Alleen door het geloof in Christus kan een gelovige goede werken doen.
Het sierde Augustinus dat hij op het laatste van zijn leven een boekje schreef met als titel "Retractiones" (wat letterlijk re = terug, tractio <tractor, trekker> = trekken.) In dit geschrift trok hij enkele visies uit het verleden terug vanwege zijn nieuwere Bijbelse inzichten. Retractiones wordt veelal vertaald met Herzieningen. Augustinus die steeds meer de ernst van het zondige bestaan van de mens had leren inzien trok de vrije wil in. De wet zag hij dan ook niet langer voor de niet-wedergeborene als een regel die hij of zij houden kan als zij of hij maar echt wil. De wet heeft als functie, zo ontdekte Augustinus, om de zonde aan te tonen zodat de zondaar leert wanhopen aan zichzelf en op zoek gaat naar Gods rijke genade.
Terecht stelde Luther en Calvijn daarom: Augustinus is geheel de onze. Maar dat wil weer niet zeggen dat de hele Augustinus de hunne was. Geheel de onze slaat op de Augustinus die Pelagius, die de vrije wil leerde, bestreed, dus de oudere Augustinus. In de kantlijn van de Anti-Pelagiaanse werken van Augustinus schreef Luther dikwijls: pulchra, mooi! De Roomse kerk beroept zich vooral op de pas-bekeerde Augustinus. Toen leerde hij nog de vrije wil en leerde hij nog dat God alleen de gebeden verhoort van mensen die geheel en al leven naar God geboden. Naar zondaren luistert God niet. Van die visie is Augustinus door Gods genade terug gekomen. Dat is zijn tweede bekering en blijkens zijn laatste geschrift "Herzieningen/ Retractiones" wil hij ook zó beoordeeld worden. Daarom wordt hij terecht doctor gratiae, leraar van de genade genoemd en ook terecht geclaimd door de Reformatoren. De oudere en rijpere Augustinus is geheel de hunne.
NB Augustinus verwoordde vooral zijn nieuwere visie op de wet en de verkiezing in zijn brief aan bisschop Simplicianus. Zijn visie op de wet verwoordde hij vanuit Romeinen 7. De wet ontdekt de mens van zonde. De mens is namelijk een diep gevallen zondaar en kan de wet nooit houden. De wet ontmaskert de mens als zondaar zodat deze aangewezen wordt op Gods rijke genade. In Romeinen 9 komt de uitverkiezing aan bod. Die is er niet om voorzien geloof of goede werken. Nee het is alleen een daad van God. "Het hangt dus niet af van hem die wil of hardloopt maar van God die zich ontfermt" (Romeinen 9,16). Hier zien we een Augustinus die hetzelfde gedachtegoed verwoordde als de Reformatie. Anders namelijk dan enkele jaren daarvoor, meende de bisschop van Hippo nu (in 396/ 397) dat de vrije wil van de mens geen enkele rol speelde in het verwerven van het heil, omdat de mens totaal afhankelijk is van God die zich in zijn verkiezing over de mensheid ontfermt. Later volgen nog zijn anti-Pelagiaanse werken. Maar in de brief aan Simplicianus ligt reeds de kiem. De brief aan Simplicianus verwoord dus Augustinus' tweede bekering zien.
Bart Jan Spruyt
10 juni 2026 in het Calvijncollege
Jan Bakker opende de avond met een testamentaire brief, die Paul Gerhardt schreef aan zijn enige zoon. De andere vier waren gestorven en ook zijn vrouw was hem ontvallen. Gerhardt liederen zijn toch ondanks dit verlies vol blijdschap, vond Bakker. Gerhardt dichtte ook Beveel gerust uw wegen, waarlangs uw voet kan gaan.
Gerhardt was een Lutheraan en Luther was door Augustinus gevormd in zijn zoektocht naar de vraag hoe hij een genadig God kreeg. Gerhardt die in de 17de eeuw leefde, inspireerde ook Bach die ook een Lutheraan was, merkte Bakker op. In de testamentaire brief spoorde Gerhardt zijn zoon aan om ijverig te zijn in zijn studie in de theologie. Gerhardt gaf zijn zoon ook allerlei praktische tips mee maar vooral ook gaf hij het besef mee dat waar je ook bent of wat je ook doet dat God altijd erbij is. Hij helpt in zwakheden als we Hem aanroepen maar Hij ziet ook onze zonde die we wel voor de mensen kunnen verbergen maar nooit voor Hem. Ons leven is een leven voor Gods aangezicht (coram Deo, volgens Luther en Gerhardt beaamt dat. Daarom kunnen we alleen leven van en door Zijn genade.
Daarna hield Spruyt zijn lezing. Augustinus' tweede bekering ging geleidelijk. Eigenlijk net als zijn eerste bekering. Zijn moeder had veel voor hem gebeden maar zijn vader was een heiden, dat had ook invloed op het leven van Augustinus. Maar het gebed van zijn moeder kreeg uiteindelijk tóch uitwerking in zijn leven. De hoogbegaafde Augustinus vond weliswaar aanvankelijk het christelijke geloof maar niets. Hij ging studeren en werd Rhetor, leraar in de welsprekendheid, in Milaan. Echter door het lezen van het werk van Cicero Hortensius (Cicero schreef ook een boek over welsprekendheid: Ars retorica) kwam hij op een ander spoor. Hortensius betekent vanuit het Latijn: Aansporing. In dit werk spoorde Cicero zijn lezers aan om het niet te verwachten van het aardse genot en leven, wat Augustinus aanvankelijk wel deed, maar op zoek te gaan naar (diepere levens)wijsheid.
Dat ging Augustinus doen. Hij vroeg zich vooral af waar het kwaad vandaan komt (Latijn: Unde malum, vanwaar <komt> het kwaad?) Hij kwam na zoektochten terecht bij de Manicheeën. Die losten het probleem van het kwaad op door te stellen dat er twee goden zijn: een goede en een verkeerde. Toch vond hij daar niet wat hij zocht. Daarna kwam hij terecht bij de neoplatonisten. Die zeiden dat het kwaad de afwezigheid van het goede is. Dat leek wat te helpen maar door de preken van Ambrosius, die bisschop was in Milaan, kwam hij meer op het spoor van de Bijbel. Hij kwam tot de volledige geloofsovergave toen hij kinderen hoorden spelen die zeiden: neem en lees (tolle et lege). Hij sloeg de Bijbel open en zijn oog viel op Romeinen 13, 13: "Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst". Nu werd zijn wil geheel over gebogen tot God. Daar vóór hinkte hij nog op twee gedachte.
Je zou verwachten dat hij nu zou gaan schrijven over zijn nieuwe ontdekking en zijn nieuwe kijk op de Bijbel. Dat deed Augustinus niet. Hij ging nu nadenken over het goede leven, een thema bij de filosofen. Die vraag trachtte hij vanuit Gods woord te beantwoorden. Om een tegenwicht te bieden tegen de Manicheeën, die zeiden dat de mens een speelbal is van twee goden, benadrukte Augustinus de vrije wil van de mens. Je hebt een vrije keuze om God te dienen en je af te keren van het kwaad.
Dat de mens door en door zondig is, werd zijn tweede bekering. Zijn ogen gingen open bij het lezen van de brief aan de Romeinen en met name Romeinen 7, de geestelijke strijd. Aanvankelijk dacht hij dat het in Romeinen 7,14 ging over de niet-wedergeboren christen Maar nu ging hij inzien dat ook de gelovige vleselijk is. Spruyt stelde wel dat Kohlbrugge radicaler was. Een gelovige is en blijft volgens Kohlbrugge vleselijk, dat is: geheel verkocht onder de zonde ('onder' betekent dat de zonde hem of haar de baas is). Alleen door het geloof in Christus kan een gelovige goede werken doen.
Het sierde Augustinus dat hij op het laatste van zijn leven een boekje schreef met als titel "Retractiones" (wat letterlijk re = terug, tractio <tractor, trekker> = trekken.) In dit geschrift trok hij enkele visies uit het verleden terug vanwege zijn nieuwere Bijbelse inzichten. Retractiones wordt veelal vertaald met Herzieningen. Augustinus die steeds meer de ernst van het zondige bestaan van de mens had leren inzien trok de vrije wil in. De wet zag hij dan ook niet langer voor de niet-wedergeborene als een regel die hij of zij houden kan als zij of hij maar echt wil. De wet heeft als functie, zo ontdekte Augustinus, om de zonde aan te tonen zodat de zondaar leert wanhopen aan zichzelf en op zoek gaat naar Gods rijke genade.
Terecht stelde Luther en Calvijn daarom: Augustinus is geheel de onze. Maar dat wil weer niet zeggen dat de hele Augustinus de hunne was. Geheel de onze slaat op de Augustinus die Pelagius, die de vrije wil leerde, bestreed, dus de oudere Augustinus. In de kantlijn van de Anti-Pelagiaanse werken van Augustinus schreef Luther dikwijls: pulchra, mooi! De Roomse kerk beroept zich vooral op de pas-bekeerde Augustinus. Toen leerde hij nog de vrije wil en leerde hij nog dat God alleen de gebeden verhoort van mensen die geheel en al leven naar God geboden. Naar zondaren luistert God niet. Van die visie is Augustinus door Gods genade terug gekomen. Dat is zijn tweede bekering en blijkens zijn laatste geschrift "Herzieningen/ Retractiones" wil hij ook zó beoordeeld worden. Daarom wordt hij terecht doctor gratiae, leraar van de genade genoemd en ook terecht geclaimd door de Reformatoren. De oudere en rijpere Augustinus is geheel de hunne.
NB Augustinus verwoordde vooral zijn nieuwere visie op de wet en de verkiezing in zijn brief aan bisschop Simplicianus. Zijn visie op de wet verwoordde hij vanuit Romeinen 7. De wet ontdekt de mens van zonde. De mens is namelijk een diep gevallen zondaar en kan de wet nooit houden. De wet ontmaskert de mens als zondaar zodat deze aangewezen wordt op Gods rijke genade. In Romeinen 9 komt de uitverkiezing aan bod. Die is er niet om voorzien geloof of goede werken. Nee het is alleen een daad van God. "Het hangt dus niet af van hem die wil of hardloopt maar van God die zich ontfermt" (Romeinen 9,16). Hier zien we een Augustinus die hetzelfde gedachtegoed verwoordde als de Reformatie. Anders namelijk dan enkele jaren daarvoor, meende de bisschop van Hippo nu (in 396/ 397) dat de vrije wil van de mens geen enkele rol speelde in het verwerven van het heil, omdat de mens totaal afhankelijk is van God die zich in zijn verkiezing over de mensheid ontfermt. Later volgen nog zijn anti-Pelagiaanse werken. Maar in de brief aan Simplicianus ligt reeds de kiem. De brief aan Simplicianus verwoord dus Augustinus' tweede bekering zien.