De knecht
Studies rondom Deutero-Jesaja
Waarom dit boek
Bij zijn afscheid als hoogleraar te Kampen werd aan J. L. Koole deze bundel in 1978 aangeboden. Deze bundel bevat achttien studies rondom Deutero-Jesaja, door collega's en oud-leerlingen. In een voorwoord getuigt de redactie waardering voor Koole die meer dan twintig jaar de oudtestamentische vakken doceerde.
De eerste bijdrage gaat over de verhouding tussen Deutero-Jesaja en Deuteronomium. De zegen en vloek Deuteronomium is aanwezig in Deutero-Jesaja. In Jesaja 55 wordt bijvoorbeeld opgeroepen tot bekering dan zal de zegen weer ingang vinden. Er is ook een verband met Klaagliederen. Daar is de klacht van Sion dat er geen troost is. In Jesaja 40,1 wordt die troost geboden. Gestoeid wordt er met de moderne Schriftkritische vraag of Deuteronomium ouder is dan Deutero-Jesaja. De deuteromistische opvatting van zegen als je God dient en vloek als je ongehoorzaam bent, in elk geval wel.
De tweede bijdrage gaat over Jesaja 56,1-8 waar staat de vreemdelingen bene nekar toegang krijgen tot de eredienst. Ook zij die ontmand zijn. Mits ze maar de sabbat houden. In Trito-Jesaja speelde dit blijkbaar bij de terugkeer. Dit lezen we ook in Nehemia (13,15-21). Nehemia moet buitenlanders houden die op de sabbat willen handelen. Zij zijn welkom in de eredienst zegt Jesaja 56,1-8 als zij zich houden aan de sabbat.
De derde lezing gaat over de vergeefse moeite van de Knecht (Jesaja 49, 1-6). Maar de Knecht klaagt weliswaar wel maar houdt vertrouwen in God bij wie zijn werkloon is. Hij begint met de oproep aan de kustlanden om te luisteren. God begrijpt de klacht en snapt dat Jakob zich niet laat verzamelen daarom geeft God aan de Knecht loonsopslag. Hij wordt gegeven tot een Licht van de heidenvolken om Gods heil te doen zijn tot aan het einde van de aarde. Telkens klinkt het refrein: voor de goddelozen is er geen vrede (Jesaja 48,22, Jesaja 57,21 en Jesaja 66, 24). Er moet wel een goede reactie komen op Gods heil.
De vierde bijdrage gaat over de Koninklijke Knecht in Jesaja 42. De Knecht wordt hier aangesteld en voorgesteld. Dat die aanstelling plaatsvindt in de hemelse hofhouding is niet aantoonbaar. De Ik-vorm van God: Ik heb... komen we ook tegen in Psalm 2: Ik toch heb mijn Koning gezalfd... Deze Knecht is gepast. Hij past bij de toestand van Israël: Doven hoor! blinden kijk en zie (Jesaja 42,18). De Knecht zal de ogen van blinden openen (Jesaja 49,7).
De vijfde bijdrage gaat over de knecht van Abraham (Genesis 24). Hij mag voor Izak een vrouw gaan halen en hij blijkt toch niet zo maar een knechtje te zijn. Door zijn zorg kan het verbond met Abraham dat hij nageslacht zal krijgen voortgang vinden. De knecht haalt Rebekka op. En God zegent deze manier want Izak heeft Rebekka lief. Deze knecht lijkt wel een beetje op de Knecht uit Jesaja 53. Hij doet belangrijk werk. Maar in Jesaja 53 gaat het om de plaatsvervanging voor het nageslacht van Abraham en zelf voor de volken. Dat gaat veel dieper.
De zesde bijdrage gaat over Nehemia. Was Nehemia een nakomeling van David? Had hij politieke pretenties. Dat valt te betwijfelen. Net als Ezra ging het Nehemia om het religieuze herstel. Zij zagen de Perzen als middel in Gods hand (zie Ezra 1,1-4) het Kores edict. In Nehemia 5,14 noemt Nehemia zich landvoogd in opdracht van de koning van Perzië. Later krijgt hij opnieuw verlof om naar Jeruzalem te gaan (13,6). De tegenstanders beweren dat het volk Nehemia tot koning wil maken (6,6-7). Maar Nehemia wil daar niet van weten. Het gaat hem om een geestelijk herstel.
De zevende bijdrage gaat over de dood van Mozes, de knecht van de HEERE (Deut. 34,1-8). Toch lijkt Mozes niet op de Knecht uit Jesaja 53. Die was juist veracht en Mozes werd juist zeer geacht. Die droeg voor anderen hun zonden. Mozes moest sterven vanwege eigen ongehoorzaamheid. Mozes lijkt wel op Elia. De HEERE nam Elia op en de HEERE begroef Mozes. De berg Nebo lag recht tegenover Jericho (Deut. 34, 1). Elia voer bij Jericho ten hemel (2 Koningen 2,1-14).
De achtste bijdrage gaat over de HEERE als Schepper. De HEERE is de grote Schepper en niet Marduk. Het volk zou onder de indruk kunnen zijn gekomen van deze god van Babel. Jesaja 44,24-28 wordt besproken. God zal zijn knecht Kores bijstaan. Hij zal zeggen tot Jeruzalem: word herbouwd... Deze Schepper beheerst ook de geschiedenis. Hij gaat over alles.
De negende bijdrage gaat over de onthulling van de kabod YHWH, de heerlijkheid van de HEERE in Jesaja 40,5. In Ezechiël gaat het om het weggaan van de heerlijkheid van YHWH uit de tempel vanwege de zonde. Later keert de heerlijkheid van YHWH weer terug in de tempel en dat symboliseert het herstel. In Jesaja 40,5 zal het gaat om Gods handelen in de geschiedenis met Juda dat in ballingschap is gevoerd vanwege hun zonde. De heilsmacht van YHWH zal worden geopenbaard tegenover de falende goden van Babel (Bel en Nebo, Jesaja 46).
De tiende bijdrage gaat over Jesaja 50,4-11. Het lied van de Knecht. Het is opgebouwd uit drie strofen: 4-6, 7-9 en 10-11. In de eerste strofe staat de roeping van de Knecht en zijn opdracht. In de tweede strofe zijn vertrouwen op God en zijn uitdaging van de tegenstanders. In de derde strofe staat hoe er moet gereageerd worden en hoe niet. Vers 10 hoe je wel moet reageren en vers 11 hoe niet.
De elfde bijdrage gaat over Schepper en schepsel in Jesaja 42,5. In dit vers spreekt God, de HEERE. Hij heeft de hemel geschapen... Hij heeft de aarde uitgespreid en wat daarop ontspruit. Deze God heeft zijn Knecht geroepen tot een verbond voor het volk en tot een licht voor de heidenvolken. Deze God geeft geen eer aan anderen. Zeker niet aan de nepgoden. Hij zal nieuwe dingen voortbrengen, heil. Om die reden moet elk schepsel, van de einde van de aarde, een nieuw lied zingen als reactie hierop, vers 10. De Schepper gaat wat nieuws doen. Het oude liedje van de macht van de afgoden zal verbroken worden.
De twaalfde bijdrage gaat over de knecht van de goden en de knecht van YHWH. Door het persoonlijke geloof in de goden noemden 'de gelovigen' zich ook wel knecht van een god. Als knecht moesten zij de goden dienen. In de Bijbel is dit niet anders, wel intenser. Er is een flink aantal gelovigen in het Oude Testament dat zich knecht noemt. In Deutero-Jesaja krijgt de Knecht een taak en ondersteuning. Hij betrouwt op God. Dat deze teksten slaan op Israël in ballingschap valt te betwijfelen. Het profiel van de Knecht vindt zijn beste vervulling in Jezus. Hij was de echte Knecht terwijl Israël als Knecht faalde. Jezus was het nieuwe Israël. Hij was de plaatsvervanger.
De dertiende bijdrage gaat over Jesaja 41,23b, 42,19b en 43,1b hoe je deze verzen taalkundig moet lezen. In Jesaja 41,23 worden de afgoden uitgedaagd. En dan volgt de zin: Doe goed en/of kwaad. De meeste vertalers lezen de waw als een of. Doe tenminste iets: goed of kwaad. De SV leest: goed en kwaad. Goed aan de goeden en kwaad aan de kwaden. In Jesaja 42,19b gaat het om het woord mesjoellam. Er staat: wie is er blind zoals mesjoellam (de volmaakte)? Of moeten we de alternatieve lezingen volgen? Wie is er blind zoals mijn bode mesjalachie of moeten we lezen: mosjeel, heerser? We laten Jesaja 43,1b rusten
De veertiende bijdrage gaat over een preek in Jesaja 43,16-21. God maakte destijds een weg door de zee (Exodus) en zal nu een weg maken door de woestijn (nieuwe exodus uit Babel). Maar dan volgt daar tussendoor de oproep (vers 18) om niet meer aan de vorige zaken te denken en niet te letten op de dingen van het verleden. Maar klopt dat wel? Deutero-Jesaja wijst toch steeds op het verleden? Ja maar daar moet je niet in blijven hangen. Je moet wel open blijven staan voor de komende dingen! Het grote doel is dat God dit volk heeft geformeerd om zijn lof te vertellen. Maar dan moeten zij zich wel openstellen voor de nieuwe dingen en niet blijven hangen in het verleden. Of het vroegere slaat niet op de exodus maar op het gebeuren in 587 v. Chr. toen Jeruzalem verwoest werd. Daar moet je niet steeds aan blijven denken. God zal voor een nieuwe exodus zorgen... Ook die opvatting is mogelijk.
De vijftiende bijdrage gaat over 'tot een licht voor de volken'. Dat is de taak van de Knecht. Op het onderricht van de Knecht zullen de kustlanden wachten (Jesaja 42, 4). Ebed Jahweh in dit soort passages is zo persoonlijk dat het hier om een individu gaat. 42,6-7 : Tot een verbond voor het volk (Israël) en tot een licht voor de volken. Bij de loonopslag in Jesaja 49,6 staat tot een licht voor de heidenvolken. Deze eervollere opdracht heeft God nog bewaard voor de Knecht. Verbond van het volk wordt uitgewerkt in vers 8 en verder. Gaat om exodus uit Babel. In Jesaja 52,13 gaat het om de verhoging van de Knecht. Hij zal de heidenvolken besprenkelen... vers 15. Deze ebed Jahweh is Jezus die het Licht van de wereld is.
De zeventiende bijdrage gaat over de dienaar van de HEERE en de Psalmen. In de Psalmen noemt de psalmdichter zich nogal eens dienaar van de HEERE (ebed Jahweh). In Psalm 119 lezen we diverse keren: ik ben uw dienaar/knecht: 17, 23, 33, 38, 49, 65, 76, 84, 122, 124, 125, 135, 140 en 176. Uw dienaar is een bescheiden uitdrukking. Hoewel het woord dienaar in Psalm 22 niet voorkomt. lijkt deze Psalm wel erg veel op de lijdende Knecht uit Jesaja 52,10-53,12. Maar in Psalm 22 lijdt de dichter niet plaatsvervangend. In Jesaja 53 wel. Psalm 22 slaat namelijk niet direct op Jezus. Maar krijgt in Hem wel de diepste vervulling. Jesaja 53 slaat wel direct op Jezus.
De achttiende bijdrage gaat over Jesaja 42,1-4. Gaat het hier op de profeet Deutero-Jesaja? Deutero-Jesaja zou in Jesaja 40,1-8 zijn geroepen. Maar bij een roeping wordt altijd de tijd vermeld in Jesaja. Onder die en die koning: 1,1 en 6,1. of dat God hem riep.. In Jesaja 53 het begin lezen we juist dat de Knecht niet meteen herkend wordt. Hij is een anoniem persoon. In het NT wordt Jesaja 42,1-4 betrokken op Jezus.
Studies rondom Deutero-Jesaja
Waarom dit boek
Bij zijn afscheid als hoogleraar te Kampen werd aan J. L. Koole deze bundel in 1978 aangeboden. Deze bundel bevat achttien studies rondom Deutero-Jesaja, door collega's en oud-leerlingen. In een voorwoord getuigt de redactie waardering voor Koole die meer dan twintig jaar de oudtestamentische vakken doceerde.
De eerste bijdrage gaat over de verhouding tussen Deutero-Jesaja en Deuteronomium. De zegen en vloek Deuteronomium is aanwezig in Deutero-Jesaja. In Jesaja 55 wordt bijvoorbeeld opgeroepen tot bekering dan zal de zegen weer ingang vinden. Er is ook een verband met Klaagliederen. Daar is de klacht van Sion dat er geen troost is. In Jesaja 40,1 wordt die troost geboden. Gestoeid wordt er met de moderne Schriftkritische vraag of Deuteronomium ouder is dan Deutero-Jesaja. De deuteromistische opvatting van zegen als je God dient en vloek als je ongehoorzaam bent, in elk geval wel.
De tweede bijdrage gaat over Jesaja 56,1-8 waar staat de vreemdelingen bene nekar toegang krijgen tot de eredienst. Ook zij die ontmand zijn. Mits ze maar de sabbat houden. In Trito-Jesaja speelde dit blijkbaar bij de terugkeer. Dit lezen we ook in Nehemia (13,15-21). Nehemia moet buitenlanders houden die op de sabbat willen handelen. Zij zijn welkom in de eredienst zegt Jesaja 56,1-8 als zij zich houden aan de sabbat.
De derde lezing gaat over de vergeefse moeite van de Knecht (Jesaja 49, 1-6). Maar de Knecht klaagt weliswaar wel maar houdt vertrouwen in God bij wie zijn werkloon is. Hij begint met de oproep aan de kustlanden om te luisteren. God begrijpt de klacht en snapt dat Jakob zich niet laat verzamelen daarom geeft God aan de Knecht loonsopslag. Hij wordt gegeven tot een Licht van de heidenvolken om Gods heil te doen zijn tot aan het einde van de aarde. Telkens klinkt het refrein: voor de goddelozen is er geen vrede (Jesaja 48,22, Jesaja 57,21 en Jesaja 66, 24). Er moet wel een goede reactie komen op Gods heil.
De vierde bijdrage gaat over de Koninklijke Knecht in Jesaja 42. De Knecht wordt hier aangesteld en voorgesteld. Dat die aanstelling plaatsvindt in de hemelse hofhouding is niet aantoonbaar. De Ik-vorm van God: Ik heb... komen we ook tegen in Psalm 2: Ik toch heb mijn Koning gezalfd... Deze Knecht is gepast. Hij past bij de toestand van Israël: Doven hoor! blinden kijk en zie (Jesaja 42,18). De Knecht zal de ogen van blinden openen (Jesaja 49,7).
De vijfde bijdrage gaat over de knecht van Abraham (Genesis 24). Hij mag voor Izak een vrouw gaan halen en hij blijkt toch niet zo maar een knechtje te zijn. Door zijn zorg kan het verbond met Abraham dat hij nageslacht zal krijgen voortgang vinden. De knecht haalt Rebekka op. En God zegent deze manier want Izak heeft Rebekka lief. Deze knecht lijkt wel een beetje op de Knecht uit Jesaja 53. Hij doet belangrijk werk. Maar in Jesaja 53 gaat het om de plaatsvervanging voor het nageslacht van Abraham en zelf voor de volken. Dat gaat veel dieper.
De zesde bijdrage gaat over Nehemia. Was Nehemia een nakomeling van David? Had hij politieke pretenties. Dat valt te betwijfelen. Net als Ezra ging het Nehemia om het religieuze herstel. Zij zagen de Perzen als middel in Gods hand (zie Ezra 1,1-4) het Kores edict. In Nehemia 5,14 noemt Nehemia zich landvoogd in opdracht van de koning van Perzië. Later krijgt hij opnieuw verlof om naar Jeruzalem te gaan (13,6). De tegenstanders beweren dat het volk Nehemia tot koning wil maken (6,6-7). Maar Nehemia wil daar niet van weten. Het gaat hem om een geestelijk herstel.
De zevende bijdrage gaat over de dood van Mozes, de knecht van de HEERE (Deut. 34,1-8). Toch lijkt Mozes niet op de Knecht uit Jesaja 53. Die was juist veracht en Mozes werd juist zeer geacht. Die droeg voor anderen hun zonden. Mozes moest sterven vanwege eigen ongehoorzaamheid. Mozes lijkt wel op Elia. De HEERE nam Elia op en de HEERE begroef Mozes. De berg Nebo lag recht tegenover Jericho (Deut. 34, 1). Elia voer bij Jericho ten hemel (2 Koningen 2,1-14).
De achtste bijdrage gaat over de HEERE als Schepper. De HEERE is de grote Schepper en niet Marduk. Het volk zou onder de indruk kunnen zijn gekomen van deze god van Babel. Jesaja 44,24-28 wordt besproken. God zal zijn knecht Kores bijstaan. Hij zal zeggen tot Jeruzalem: word herbouwd... Deze Schepper beheerst ook de geschiedenis. Hij gaat over alles.
De negende bijdrage gaat over de onthulling van de kabod YHWH, de heerlijkheid van de HEERE in Jesaja 40,5. In Ezechiël gaat het om het weggaan van de heerlijkheid van YHWH uit de tempel vanwege de zonde. Later keert de heerlijkheid van YHWH weer terug in de tempel en dat symboliseert het herstel. In Jesaja 40,5 zal het gaat om Gods handelen in de geschiedenis met Juda dat in ballingschap is gevoerd vanwege hun zonde. De heilsmacht van YHWH zal worden geopenbaard tegenover de falende goden van Babel (Bel en Nebo, Jesaja 46).
De tiende bijdrage gaat over Jesaja 50,4-11. Het lied van de Knecht. Het is opgebouwd uit drie strofen: 4-6, 7-9 en 10-11. In de eerste strofe staat de roeping van de Knecht en zijn opdracht. In de tweede strofe zijn vertrouwen op God en zijn uitdaging van de tegenstanders. In de derde strofe staat hoe er moet gereageerd worden en hoe niet. Vers 10 hoe je wel moet reageren en vers 11 hoe niet.
De elfde bijdrage gaat over Schepper en schepsel in Jesaja 42,5. In dit vers spreekt God, de HEERE. Hij heeft de hemel geschapen... Hij heeft de aarde uitgespreid en wat daarop ontspruit. Deze God heeft zijn Knecht geroepen tot een verbond voor het volk en tot een licht voor de heidenvolken. Deze God geeft geen eer aan anderen. Zeker niet aan de nepgoden. Hij zal nieuwe dingen voortbrengen, heil. Om die reden moet elk schepsel, van de einde van de aarde, een nieuw lied zingen als reactie hierop, vers 10. De Schepper gaat wat nieuws doen. Het oude liedje van de macht van de afgoden zal verbroken worden.
De twaalfde bijdrage gaat over de knecht van de goden en de knecht van YHWH. Door het persoonlijke geloof in de goden noemden 'de gelovigen' zich ook wel knecht van een god. Als knecht moesten zij de goden dienen. In de Bijbel is dit niet anders, wel intenser. Er is een flink aantal gelovigen in het Oude Testament dat zich knecht noemt. In Deutero-Jesaja krijgt de Knecht een taak en ondersteuning. Hij betrouwt op God. Dat deze teksten slaan op Israël in ballingschap valt te betwijfelen. Het profiel van de Knecht vindt zijn beste vervulling in Jezus. Hij was de echte Knecht terwijl Israël als Knecht faalde. Jezus was het nieuwe Israël. Hij was de plaatsvervanger.
De dertiende bijdrage gaat over Jesaja 41,23b, 42,19b en 43,1b hoe je deze verzen taalkundig moet lezen. In Jesaja 41,23 worden de afgoden uitgedaagd. En dan volgt de zin: Doe goed en/of kwaad. De meeste vertalers lezen de waw als een of. Doe tenminste iets: goed of kwaad. De SV leest: goed en kwaad. Goed aan de goeden en kwaad aan de kwaden. In Jesaja 42,19b gaat het om het woord mesjoellam. Er staat: wie is er blind zoals mesjoellam (de volmaakte)? Of moeten we de alternatieve lezingen volgen? Wie is er blind zoals mijn bode mesjalachie of moeten we lezen: mosjeel, heerser? We laten Jesaja 43,1b rusten
De veertiende bijdrage gaat over een preek in Jesaja 43,16-21. God maakte destijds een weg door de zee (Exodus) en zal nu een weg maken door de woestijn (nieuwe exodus uit Babel). Maar dan volgt daar tussendoor de oproep (vers 18) om niet meer aan de vorige zaken te denken en niet te letten op de dingen van het verleden. Maar klopt dat wel? Deutero-Jesaja wijst toch steeds op het verleden? Ja maar daar moet je niet in blijven hangen. Je moet wel open blijven staan voor de komende dingen! Het grote doel is dat God dit volk heeft geformeerd om zijn lof te vertellen. Maar dan moeten zij zich wel openstellen voor de nieuwe dingen en niet blijven hangen in het verleden. Of het vroegere slaat niet op de exodus maar op het gebeuren in 587 v. Chr. toen Jeruzalem verwoest werd. Daar moet je niet steeds aan blijven denken. God zal voor een nieuwe exodus zorgen... Ook die opvatting is mogelijk.
De vijftiende bijdrage gaat over 'tot een licht voor de volken'. Dat is de taak van de Knecht. Op het onderricht van de Knecht zullen de kustlanden wachten (Jesaja 42, 4). Ebed Jahweh in dit soort passages is zo persoonlijk dat het hier om een individu gaat. 42,6-7 : Tot een verbond voor het volk (Israël) en tot een licht voor de volken. Bij de loonopslag in Jesaja 49,6 staat tot een licht voor de heidenvolken. Deze eervollere opdracht heeft God nog bewaard voor de Knecht. Verbond van het volk wordt uitgewerkt in vers 8 en verder. Gaat om exodus uit Babel. In Jesaja 52,13 gaat het om de verhoging van de Knecht. Hij zal de heidenvolken besprenkelen... vers 15. Deze ebed Jahweh is Jezus die het Licht van de wereld is.
De zeventiende bijdrage gaat over de dienaar van de HEERE en de Psalmen. In de Psalmen noemt de psalmdichter zich nogal eens dienaar van de HEERE (ebed Jahweh). In Psalm 119 lezen we diverse keren: ik ben uw dienaar/knecht: 17, 23, 33, 38, 49, 65, 76, 84, 122, 124, 125, 135, 140 en 176. Uw dienaar is een bescheiden uitdrukking. Hoewel het woord dienaar in Psalm 22 niet voorkomt. lijkt deze Psalm wel erg veel op de lijdende Knecht uit Jesaja 52,10-53,12. Maar in Psalm 22 lijdt de dichter niet plaatsvervangend. In Jesaja 53 wel. Psalm 22 slaat namelijk niet direct op Jezus. Maar krijgt in Hem wel de diepste vervulling. Jesaja 53 slaat wel direct op Jezus.
De achttiende bijdrage gaat over Jesaja 42,1-4. Gaat het hier op de profeet Deutero-Jesaja? Deutero-Jesaja zou in Jesaja 40,1-8 zijn geroepen. Maar bij een roeping wordt altijd de tijd vermeld in Jesaja. Onder die en die koning: 1,1 en 6,1. of dat God hem riep.. In Jesaja 53 het begin lezen we juist dat de Knecht niet meteen herkend wordt. Hij is een anoniem persoon. In het NT wordt Jesaja 42,1-4 betrokken op Jezus.