Justus Vermeer (1696-1745) en zijn raad aan zoekende zielen:
"Let op de deur of die zich op een kiertje opent,
want waar u nu staat, staat u niet veilig".
Wie was Justus Vermeer
Justus Vermeer was een Nederlandse gereformeerde theoloog, geboren in Utrecht in december 1696 en daar overleden op 11 mei 1745. Hij was rechtsgeleerde en verkreeg zijn grootste bekendheid door zijn uitgaven op theologisch gebied. Vermeer was van 1732 tot zijn dood in 1745 ouderling in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Utrecht. Hij begon met het organiseren van oefeningen in zijn huis om met een groepje gelijkgezinden de catechismus te behandelen. Zodoende legde hij de grondslag voor de latere conventikels. Hij was een belangrijke vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie. Hij was oefenaar met de status van predikant.
Vermeer en zijn raad aan zoekende zielen
In de rechterflank van de Gereformeerde gezindte heeft Vermeer een grote plaats. Hij zou volgens sommigen van hen leren dat iemand wedergeboren kan zijn zonder dat deze persoon persoonlijk weet heeft dat hij of zij gerechtvaardigd is (zie Digibron, III. REAKTIE OP ONS SCHRIJVEN OVER DE ZEKERHEID DES GELOOFS.). Dit berust echter op een misverstand. In kringen waar men bang is voor Remonstrantisme heeft men het begrip wedergeboorte (in engere zin, levendmaking) als spil. Zo zegt iemand: "Door de wedergeboorte, het hart-veranderend genadewerk van de Heilige Geest, worden zielen levend gemaakt, geschapen in Christus Jezus tot goede werken (Efeze 2:10)". Maar zij zijn dan nog niet bewust gerechtvaardigd. Maar wel heeft God hen in de eeuwigheid reeds gerechtvaardigd daar Hij ze aan Zijn Zoon geschonken heeft en Hem bevolen heeft om voor hen de dood in te gaan".
Han Vermeulen uit Meteren hertaalde de catechismuspreken van Justus Vermeer. Hij kwam tot de ontdekking dat Vermeer drie toepassingen kent: één voor de zorgelozen, één voor de overtuigden en één voor Gods kinderen. Om die laatste twee gaat het. De eerste, de zorgeloze, heeft namelijk geen enkele weet van de rechtvaardiging van de goddeloze maar hoe zit het met die andere twee? Vermeer is er helder in. Gods kinderen hebben weet van hun rechtvaardiging. Zij zijn ontdekt aan hun zonden en weten dat Jezus, Hun Zaligmaker betaald heeft voor al hun zonden. Vermeer ziet echter ook een tussencategorie. Dat zijn geen zorgelozen maar overtuigden. Zij zijn ontwaakt uit hun rustige doodslaap. De tweede categorie waarop Vermeer zijn toepassingen maakt.
Overtuigden zijn zoekende zielen. Maar Vermeer spreekt hen allerminst zalig. Hij zegt niet: jullie zijn wedergeboren en in een verdere weg zullen jullie vast Jezus leren kennen als jullie Zaligmaker. Vermeer legt hen de handen niet op noch houdt hij hen de handen boven het hoofd. Ook ontkent hij hun ervaringen niet, maar hij waarschuwt hen ernstig en wijst hen op hun tekorten. Hij zegt hierover in Zondag 31: „Het is waar, aan menigeen is een soort van ontsluiting geschied (=overtuigden, zoekende zielen). Maar vrienden, bent u in het voorhof ingelaten? Bedenk dan toch dat het voorhof het heilige niet is. Geloof toch het nadrukkelijke woord dat het voorhof aan de heidenen gegeven is (Openbaring 11:2). Daarom, blijf daar niet staan, maar zoek binnen het heilige te komen. Let op de deur of die zich op een kiertje opent, want waar u nu staat, staat u niet veilig.” In Zondag 30 zegt Vermeer over de avondmaalganger: „Elke gerechtigde moet dus een wedergeboren mens zijn, die door het geloof in Christus gerechtvaardigd is en door de Geest aanvankelijk geheiligd.”
Kortom, Vermeer heeft in zijn catechismus beslist oog voor zoekende zielen maar hij legt hen de handen dus niet op zoals wel gebeurt in bevindelijke kringen en kerken. Hij zegt héél nadrukkelijk tot hen: "Let op de deur of die zich op een kiertje opent, want waar u nu staat, staat u niet veilig".
"Let op de deur of die zich op een kiertje opent,
want waar u nu staat, staat u niet veilig".
- Een tijdgenoot zegt over Vermeers: “Zijn ijver voor de waarheid, zoals die in Christus Jezus is blijkt in het voortdurend gebruik van de woorden van God. Vanuit het Woord wijst hij op de noodzaak van de kennis van zonden, op de heiligheid en de rechtvaardigheid van God. De noodzaak en de rijkdom van het kennen van Christus komen steeds helder naar voren".
Wie was Justus Vermeer
Justus Vermeer was een Nederlandse gereformeerde theoloog, geboren in Utrecht in december 1696 en daar overleden op 11 mei 1745. Hij was rechtsgeleerde en verkreeg zijn grootste bekendheid door zijn uitgaven op theologisch gebied. Vermeer was van 1732 tot zijn dood in 1745 ouderling in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Utrecht. Hij begon met het organiseren van oefeningen in zijn huis om met een groepje gelijkgezinden de catechismus te behandelen. Zodoende legde hij de grondslag voor de latere conventikels. Hij was een belangrijke vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie. Hij was oefenaar met de status van predikant.
Vermeer en zijn raad aan zoekende zielen
In de rechterflank van de Gereformeerde gezindte heeft Vermeer een grote plaats. Hij zou volgens sommigen van hen leren dat iemand wedergeboren kan zijn zonder dat deze persoon persoonlijk weet heeft dat hij of zij gerechtvaardigd is (zie Digibron, III. REAKTIE OP ONS SCHRIJVEN OVER DE ZEKERHEID DES GELOOFS.). Dit berust echter op een misverstand. In kringen waar men bang is voor Remonstrantisme heeft men het begrip wedergeboorte (in engere zin, levendmaking) als spil. Zo zegt iemand: "Door de wedergeboorte, het hart-veranderend genadewerk van de Heilige Geest, worden zielen levend gemaakt, geschapen in Christus Jezus tot goede werken (Efeze 2:10)". Maar zij zijn dan nog niet bewust gerechtvaardigd. Maar wel heeft God hen in de eeuwigheid reeds gerechtvaardigd daar Hij ze aan Zijn Zoon geschonken heeft en Hem bevolen heeft om voor hen de dood in te gaan".
Han Vermeulen uit Meteren hertaalde de catechismuspreken van Justus Vermeer. Hij kwam tot de ontdekking dat Vermeer drie toepassingen kent: één voor de zorgelozen, één voor de overtuigden en één voor Gods kinderen. Om die laatste twee gaat het. De eerste, de zorgeloze, heeft namelijk geen enkele weet van de rechtvaardiging van de goddeloze maar hoe zit het met die andere twee? Vermeer is er helder in. Gods kinderen hebben weet van hun rechtvaardiging. Zij zijn ontdekt aan hun zonden en weten dat Jezus, Hun Zaligmaker betaald heeft voor al hun zonden. Vermeer ziet echter ook een tussencategorie. Dat zijn geen zorgelozen maar overtuigden. Zij zijn ontwaakt uit hun rustige doodslaap. De tweede categorie waarop Vermeer zijn toepassingen maakt.
Overtuigden zijn zoekende zielen. Maar Vermeer spreekt hen allerminst zalig. Hij zegt niet: jullie zijn wedergeboren en in een verdere weg zullen jullie vast Jezus leren kennen als jullie Zaligmaker. Vermeer legt hen de handen niet op noch houdt hij hen de handen boven het hoofd. Ook ontkent hij hun ervaringen niet, maar hij waarschuwt hen ernstig en wijst hen op hun tekorten. Hij zegt hierover in Zondag 31: „Het is waar, aan menigeen is een soort van ontsluiting geschied (=overtuigden, zoekende zielen). Maar vrienden, bent u in het voorhof ingelaten? Bedenk dan toch dat het voorhof het heilige niet is. Geloof toch het nadrukkelijke woord dat het voorhof aan de heidenen gegeven is (Openbaring 11:2). Daarom, blijf daar niet staan, maar zoek binnen het heilige te komen. Let op de deur of die zich op een kiertje opent, want waar u nu staat, staat u niet veilig.” In Zondag 30 zegt Vermeer over de avondmaalganger: „Elke gerechtigde moet dus een wedergeboren mens zijn, die door het geloof in Christus gerechtvaardigd is en door de Geest aanvankelijk geheiligd.”
Kortom, Vermeer heeft in zijn catechismus beslist oog voor zoekende zielen maar hij legt hen de handen dus niet op zoals wel gebeurt in bevindelijke kringen en kerken. Hij zegt héél nadrukkelijk tot hen: "Let op de deur of die zich op een kiertje opent, want waar u nu staat, staat u niet veilig".