Hebben CRITICI gelijk dat de notie van tweeërlei kinderen van het VERBOND afwezig is in het boek IN CHRISTUS GEDOOPT?
Op pagina 291- 300 behandelt Van Vlastuin onder het kopje Verbondsbrekers het droevige feit dat er tweeërlei kinderen van het verbond zijn. Van Vlastuin merkt op (291): “Het doopformulier spreekt op de golflengte van het geloof. Daarom het spreekt het formulier niet van de huiveringwekkende keerzijde van het geloof, namelijk het ongeloof, de niet-verkiezing, de verbondsbreuk. Toch dient deze vraag zich wel aan als we naar anderen in de gemeente kijken. Hoe moeten we naar die ander kijken?”
Van Vlastuin wijst op het oordeel van de liefde. Dat oordeel is voorlopig want wij kunnen ons vergissen. Judas bleek uit zijn levenswandel een duivelskind te zijn. Het oordeel is bovendien heel persoonlijk (293): “In het avondmaalformulier komt de huiveringwekkende werkelijkheid’’ op ons af, volgens Van Vlastuin. Daar staan de kernmerken van het ware geloof waar we ons aan dienen te spiegelen want daar staat namelijk: “Die dit getuigenis in de harten niet voelen, eten en drinken zichzelf een oordeel”.
Terecht plaatst Van Vlastuin een kritische noot bij het begrip tweeërlei kinderen van het verbond (297-298) De gedachte zou post kunnen vatten dat Gods verbond niet voor alle kinderen van het verbond wel gemeend is. Van Vlastuin merkt scherp op (298): “Petrus spreekt de Joden die verantwoordelijk waren voor de kruisiging van Jezus aan als ‘kinderen van de Profeten en het VERBOND’(Hand 3,25)”.
Dat moet dus het uitgangspunt zijn. Want hoe gevaarlijk is het als de verbondspraktijk het uitgangspunt wordt van onze waardering van het verbond. Dan redeneer je zo: Miljoenen zijn gedoopt maar zij minachten de heiligheid van de doop. God kan met zulke dopelingen nooit een echte verbondsrelatie hebben gehad want dan zou dat nooit zo ver zijn gekomen.
Maar het nee van de dopeling naar God ligt niet aan het verbond van God. Dat is welmenend voor elke dopeling. Daar mag je nooit op afdingen. Dat is tot oneer van God en dan wordt de troost weggenomen voor twijfelende kinderen van het verbond. Zij menen dan dat zij eerst moeten weten dat ze tot de goede categorie verbondskinderen horen alvorens de doopbelofte voor hen van toepassing is.
Volgens Van Vlastuin schoven de profeten van het Oude Testament nooit het verbond terzijde toen het volk het verbond van God minachtte.
Kortom Van Vlastuin heeft wel degelijk aandacht voor tweeërlei kinderen van het verbond. Maar hij wijst ook op de gevaren van deze formulering. Helaas is ook het begrip tweeërlei kinderen van het verbond vervuilt met een negatieve kijk op het verbond. Net zo goed als tweeërlei roeping, de uitwendige en de inwendige, de welmenende roeping aan allen uitgehold heeft.
Ook dopelingen, van wie de oren dicht blijven zitten zijn begrepen in het genadeverbond. Voor hen geldt de oproep van de profeet Jeremia (3:14a): “Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd”.
Op pagina 291- 300 behandelt Van Vlastuin onder het kopje Verbondsbrekers het droevige feit dat er tweeërlei kinderen van het verbond zijn. Van Vlastuin merkt op (291): “Het doopformulier spreekt op de golflengte van het geloof. Daarom het spreekt het formulier niet van de huiveringwekkende keerzijde van het geloof, namelijk het ongeloof, de niet-verkiezing, de verbondsbreuk. Toch dient deze vraag zich wel aan als we naar anderen in de gemeente kijken. Hoe moeten we naar die ander kijken?”
Van Vlastuin wijst op het oordeel van de liefde. Dat oordeel is voorlopig want wij kunnen ons vergissen. Judas bleek uit zijn levenswandel een duivelskind te zijn. Het oordeel is bovendien heel persoonlijk (293): “In het avondmaalformulier komt de huiveringwekkende werkelijkheid’’ op ons af, volgens Van Vlastuin. Daar staan de kernmerken van het ware geloof waar we ons aan dienen te spiegelen want daar staat namelijk: “Die dit getuigenis in de harten niet voelen, eten en drinken zichzelf een oordeel”.
Terecht plaatst Van Vlastuin een kritische noot bij het begrip tweeërlei kinderen van het verbond (297-298) De gedachte zou post kunnen vatten dat Gods verbond niet voor alle kinderen van het verbond wel gemeend is. Van Vlastuin merkt scherp op (298): “Petrus spreekt de Joden die verantwoordelijk waren voor de kruisiging van Jezus aan als ‘kinderen van de Profeten en het VERBOND’(Hand 3,25)”.
Dat moet dus het uitgangspunt zijn. Want hoe gevaarlijk is het als de verbondspraktijk het uitgangspunt wordt van onze waardering van het verbond. Dan redeneer je zo: Miljoenen zijn gedoopt maar zij minachten de heiligheid van de doop. God kan met zulke dopelingen nooit een echte verbondsrelatie hebben gehad want dan zou dat nooit zo ver zijn gekomen.
Maar het nee van de dopeling naar God ligt niet aan het verbond van God. Dat is welmenend voor elke dopeling. Daar mag je nooit op afdingen. Dat is tot oneer van God en dan wordt de troost weggenomen voor twijfelende kinderen van het verbond. Zij menen dan dat zij eerst moeten weten dat ze tot de goede categorie verbondskinderen horen alvorens de doopbelofte voor hen van toepassing is.
Volgens Van Vlastuin schoven de profeten van het Oude Testament nooit het verbond terzijde toen het volk het verbond van God minachtte.
Kortom Van Vlastuin heeft wel degelijk aandacht voor tweeërlei kinderen van het verbond. Maar hij wijst ook op de gevaren van deze formulering. Helaas is ook het begrip tweeërlei kinderen van het verbond vervuilt met een negatieve kijk op het verbond. Net zo goed als tweeërlei roeping, de uitwendige en de inwendige, de welmenende roeping aan allen uitgehold heeft.
Ook dopelingen, van wie de oren dicht blijven zitten zijn begrepen in het genadeverbond. Voor hen geldt de oproep van de profeet Jeremia (3:14a): “Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd”.