Verhaal en feit in bijbelse tijd:
geschiedschrijving in het Oude Testament / Hans de Wolf
Feit staat in het kader van de boodschap
In dit boek uit 2013 verdedigt emerituspredikant Hans de Wolf (toen: GKV) de betrouwbaarheid van de Bijbelse geschiedschrijving. Maar de Bijbelse schrijvers waren geen geschiedschrijvers die alleen de feiten weergaven. Zij hadden ook een boodschap. Neem Psalm 105 daar wordt de geschiedenis van Israël verteld en schittert Gods trouw. In Psalm 106 schittert niet alleen Gods trouw in de geschiedenis van Israël maar ook de ontrouw van Israël wordt beschreven. Beide Psalmen zijn waar, vermelden historische feiten maar met een andere boodschap. Psalm 105 leggen alle nadruk op Gods trouw en laat daarom de ontrouw van Israël weg.
Neem Ezechiël 20. Daar wordt de ontrouw vermeld van Israël om Israël tot inkeer te brengen. Die ontrouw en het dienen van de afgoden begon al in Egypte, vermeldt Ezechiël maar daar heeft Mozes nooit melding van gemaakt. Toch lezen we er wel summier iets van bij de toespraak van Jozua. Jozua 24:14: "Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de HEERE".
De aard van de geschiedschrijving
De aard van de geschiedschrijving is sober als het gaat om het aanwijzen van zonde. Het overspel van David met Bathseba wordt sober beschreven. Het is geen sensatieverhaal. Toch is Ezechiël 16 heftig als het gaat over de geestelijke hoererij van Israël. Maar daar worden geen persoonlijke namen genoemd. Het is een aanklacht tegen het volk zelf. Ezechiël 16 spreekt wel van een betere tijd, de tijd van de minne/ liefde(Ezechiël 16,8). Op die tijd van de minne/ liefde gaat Hooglied in. Als er geestelijke hoererij is, is er ook geestelijke liefde (Hooglied vermeldt die betere periode).
De aard van de geschiedschrijving is ook democratisch. De Bijbel schrijft niet alleen over koningen zoals bij de volken het geval is maar ook over de gewone man of vrouw die soms door God verhoogd wordt. Koningen worden overigens niet beoordeeld door hovelingen die alleen hun heldendaden vermelden zoals bij de volken. Nee de geschiedschrijving is profetisch kritisch. De koning wordt beoordeeld op zijn omgang met God en zijn geboden. Heeft hij het volk geleid in het spoor van de Thora, dan krijgt hij een goede vermelding (Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE) anders niet (Hij dee wat kwaad was in de ogen van de HEERE.
geschiedschrijving in het Oude Testament / Hans de Wolf
Feit staat in het kader van de boodschap
In dit boek uit 2013 verdedigt emerituspredikant Hans de Wolf (toen: GKV) de betrouwbaarheid van de Bijbelse geschiedschrijving. Maar de Bijbelse schrijvers waren geen geschiedschrijvers die alleen de feiten weergaven. Zij hadden ook een boodschap. Neem Psalm 105 daar wordt de geschiedenis van Israël verteld en schittert Gods trouw. In Psalm 106 schittert niet alleen Gods trouw in de geschiedenis van Israël maar ook de ontrouw van Israël wordt beschreven. Beide Psalmen zijn waar, vermelden historische feiten maar met een andere boodschap. Psalm 105 leggen alle nadruk op Gods trouw en laat daarom de ontrouw van Israël weg.
Neem Ezechiël 20. Daar wordt de ontrouw vermeld van Israël om Israël tot inkeer te brengen. Die ontrouw en het dienen van de afgoden begon al in Egypte, vermeldt Ezechiël maar daar heeft Mozes nooit melding van gemaakt. Toch lezen we er wel summier iets van bij de toespraak van Jozua. Jozua 24:14: "Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de HEERE".
De aard van de geschiedschrijving
De aard van de geschiedschrijving is sober als het gaat om het aanwijzen van zonde. Het overspel van David met Bathseba wordt sober beschreven. Het is geen sensatieverhaal. Toch is Ezechiël 16 heftig als het gaat over de geestelijke hoererij van Israël. Maar daar worden geen persoonlijke namen genoemd. Het is een aanklacht tegen het volk zelf. Ezechiël 16 spreekt wel van een betere tijd, de tijd van de minne/ liefde(Ezechiël 16,8). Op die tijd van de minne/ liefde gaat Hooglied in. Als er geestelijke hoererij is, is er ook geestelijke liefde (Hooglied vermeldt die betere periode).
De aard van de geschiedschrijving is ook democratisch. De Bijbel schrijft niet alleen over koningen zoals bij de volken het geval is maar ook over de gewone man of vrouw die soms door God verhoogd wordt. Koningen worden overigens niet beoordeeld door hovelingen die alleen hun heldendaden vermelden zoals bij de volken. Nee de geschiedschrijving is profetisch kritisch. De koning wordt beoordeeld op zijn omgang met God en zijn geboden. Heeft hij het volk geleid in het spoor van de Thora, dan krijgt hij een goede vermelding (Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE) anders niet (Hij dee wat kwaad was in de ogen van de HEERE.